Nieuwe meting van een hartecho geeft meer informatie over hartschade na kinderkanker

Verminderd functionerende hartspier beter in beeld

Een nieuwe meting in hartechografie bij volwassenen die op kinderleeftijd kanker hebben gehad, geeft nieuwe informatie over eventuele hartschade. Deze methode meet de samentrekking van de hartspier in plaats van het uitgepompte bloedvolume. Hierdoor kunnen artsen eventuele hartschade mogelijk eerder opsporen. Dit blijkt uit een studie onder 1400 volwassenen, nu gepubliceerd in JACC CardioOncology.

Kinderen hebben na de behandeling van kinderkanker een steeds betere overleving. Helaas ontwikkelt een deel van de mensen later gezondheidsproblemen. Van mensen die op kinderleeftijd kanker hebben gehad en behandeld zijn met een bepaalde vorm van chemotherapie of radiotherapie in hartregio, is bekend dat zij later in het leven een verhoogd risico hebben op hartfalen. Deze mensen blijven langdurig onder controle op de gespecialiseerde LATER polikliniek voor overlevenden van kinderkanker, waarbij zij onder meer een echo van het hart krijgen. Die brengt de hartfunctie in beeld. 

De mogelijkheden van echografie zijn nu groter dan in het verleden. In dit onderzoek namen onderzoekers de hartfunctie niet alleen op de nu gangbare manier op, waarbij ze het uitgepompte bloedvolume vaststelden, maar maten ze ook de verkorting van de hartspier. Dat is een minder foutgevoelige meting, waarbij de computer de hartspier één hartslag van de hartspier volgt en de verkorting tijdens samentrekking in beeld brengt.  Deze methode is de standaard bij volwassenen tijdens chemotherapie, omdat het de vroege opsporing van milde hartschade en functieafwijkingen mogelijk maakt.

De onderzoekers laten nu zien dat deze methode ook afwijkingen laat zien bij mensen die in het verleden, op kinderleeftijd, kanker hebben doorgemaakt. ‘Vooral bij mensen die in het verleden radiotherapie op de hartregio hebben gehad, zien we dat deze verkortingsmeting vaker afwijkt, terwijl de volumemeting normaal blijft. In deze populatie kan deze methode beter zijn voor de opsporing van hartschade’, aldus promovendus en eerste auteur Remy Merkx. ‘We krijgen dus een nauwkeuriger beeld met behulp van deze zogeheten strainanalyse, omdat we een vroege mate vande knijpkrachtverlies  beter in beeld kunnen brengen.’

Voorlopig blijven de onderzoekers deze meting in onderzoeksverband uitvoeren. Merkx benadrukt: ‘Het lastige is dat er, vanwege de lange tijd totdat hartfalen zich openbaart, nog geen onderzoeken zijn die de overlevers langdurig volgen na deze metingen. We weten dus niet of een afwijkende verkorting uiteindelijk beter voorspelt of iemand hartfalen krijgt of niet, en -belangrijker- of het dan helpt om eerder met hartfalentherapie te beginnen.’ Andersom hopen de onderzoekers daarom dat de nieuwe meting ook helpt om te kunnen vaststellen dat overlevers zónder afwijkingen op de echo op lange termijn een lagere kans op hartfalen hebben. Voor hen is minder controle dan hopelijk genoeg.

LATER studie

Dit onderzoek maakt deel uit van de LATER-studie, geleid door Leontien Kremer van het Prinses Máxima Centrum in Utrecht. Binnen dit landelijke studieverband volgen onderzoekers overlevers van kinderkanker en brengen hun gezondheid en ziektelast in kaart. Binnen dit onderzoek, onder leiding van Lieke Feijen van het PMC, werden hartecho’s van 1397 overlevers en 277 broers en zussen tussen de 18 en 60 jaar geanalyseerd in het Radboudumc. Beide promotoren, kindercardioloog Livia Kapusta en klinisch fysicus Chris de Korte van het Radboudumc, hebben zich al jaren gespecialiseerd in de toepassing van strainanalyse. Kapusta: ‘Net zo belangrijk als de combinatie van strainanalyse met conventionele echometingen voor de ontdekking van vroegtijdige hartschade bij survivors van kinderkanker, is een hechte landelijke samenwerking.’